×

Recensie

28 oktober 2019

Debbie Harry

Face It

Geschreven door: Edwin Hofman

Debbie Harry - Face It

De afgelopen tien, vijftien jaar is het aanbod aan (auto)biografieën enorm toegenomen. Dat heeft geleid tot een gestage stroom aan egodocumenten, regelmatig gewijd aan sporters en beroepsbekendheden die amper op een volwaardige carrière kunnen terugkijken. Debbie Harry is wat dit betreft natuurlijk van een geheel andere orde. Haar autobiografie ziet op haar vierenzeventigste het licht. Kijk, dan heb je wat om op terug te blikken. Er zijn door de jaren heen natuurlijk wel een aantal boeken over Debbie Harry verschenen maar dit is de eerste keer dat ze zichzelf op een complete terugblik stort. Die blik voert eerst terug naar haar adoptie – Debbie Harry’s echte naam is Angela Trimble – en haar jeugd in het New Jersey van de jaren vijftig.

New York lonkte in de jaren vijftig en zestig, zó dichtbij New Jersey maar toch een geheel andere wereld. Harry leerde de stad kennen in de jaren zestig; ze zong in de band Wind In The Willows, werkte bij de legendarische club Max’s Kansas City en was een tijdje Playboy bunny. Deze jaren vormden ook het begin van de stroom creatievelingen die in Harry’s leven kwamen. Dat ging – niet verrassend – ook gepaard met drugs. Het leidde echter ook tot vruchtbare samenwerkingen met onder meer Andy Warhol en regisseur John Waters.

Na een terugkeer richting New Jersey – het succes en het geld bleven uit – vestigde Harry zich later definitief in New York, de stad die in de jaren zeventig vrijwel failliet was en zichtbaar in verval raakte. Het was echter ook een creatieve broedplaats en Harry beschrijft dit allemaal van binnenuit, als ervaringsdeskundige. Harry was kunstzinnig en belezen maar ook nieuwsgierig en niet bang uitgevallen. Seks en drugs hoorden erbij, het leven moest geproefd worden. Armoede hoefde niet altijd een belemmering te zijn. De muziekscene van New York komt natuurlijk voorbij. Debbie Harry heeft wel wat te vertellen over al die New Yorkse acts die in de jaren zeventig vanuit de legendarische club CBGB’s de wereld overtrokken, zoals New York Dolls, Patti Smith, Ramones en Television.

Halverwege de jaren zeventig was rock een zeer mannelijk gebeuren. Frontvrouwen als Patti Smith, Suzi Quatro, Joan Jett, Debbie Harry en (iets later) Chrissie Hynde waren pioniers. Harry was wellicht uitdagender dan de anderen doordat ze de rol speelde van een bijzonder vrouwelijke vrouw in een machowereld. Wie verder keek, zag – én hoorde – echter een assertieve, zelfstandige zangeres in meisjestenue. Het verhaal van de band Blondie neemt, ondanks het enorme succes, relatief weinig ruimte in. Artiesten, kunstenaars van allerlei pluimage, armoede, talloze verhuizingen, lofts, bouwvallen, freaks, creatieve dadendrang, mode en tweedehands kleding (veelal gevonden door de vele afvalhopen op straat te inspecteren) waren achteraf gezien voor Harry net zo relevant.

De muziek en bandverhalen van Blondie staan in het boek dan ook op gelijke hoogte met de exponenten van het grimmige, kleurrijke en scheppende New York. Zoals zo vaak bij succesvolle bands was het voor Blondie, toen het succes kwam in 1977, één grote achtbaan waarbij er weinig tijd was voor reflectie. De band was óf op tournee óf zat in de studio. Blondie bezocht in mei 1977 Engeland, vlak voor het moment dat de Sex Pistols en het jubileum van de koningin headlines werden, en legde een basis voor het latere succes daar. Eind 1979 moest de straat worden afgezet toen de band een platenwinkel in Kensington aandeed. Toen had de band er inmiddels honderden concerten opzitten. Er zouden er tot oktober 1982 nog veel volgen. Harry heeft hier echter niet zo veel over te melden. Wellicht is het allemaal wazig geweest.

Het is bewonderenswaardig hoe Blondie, met zo’n druk schema en zo weinig comfort in het privéleven, toch nog zoveel kwaliteitspop met eeuwigheidswaarde heeft geproduceerd. De band perste er immers 5 albums uit, tussen december 1976 en november 1980. Hierover komen we ook niet zo gek veel te weten, terwijl het toch opvallend is hoe gemakkelijk Blondie schakelde van sixtiespop en punk naar disco en ‘motorische’ popmuziek. De samenwerking met kunstenaar H.R. Giger voor KooKoo, het album uit 1981 met de controversiële hoes, is een van de sterkste passages in het boek. Dit betrof echter wel een soloalbum, in de nadagen van Blondie.

Debbie Harry is duidelijk even trots op haar filmrollen en tv-werk als op de muziek die ze met Blondie en solo maakte. Union City (1980), Videodrome (1983) en natuurlijk Hairspray (1988) gaven Harry de kans om zich ook op andere vlakken te profileren. De cultuur- en modevreter Harry was meer dan alleen Blondie. Het voordeel van Harry’s brede oriëntatie is dat haar verhaal niet inzakt na het ineenstorten van Blondie in 1982, een gebeurtenis waar ze niet uitgebreid bij stilstaat. Haar levenspartner (voor dertien jaar) en rots in de branding bij Blondie, Chris Stein, was begin jaren tachtig langdurig ziek. Harry’s zorg voor Stein leidde tot een meer teruggetrokken leven. Helaas niet drugsvrij; er was veel te verdoven, er was behoefte aan troost. Toch wist Harry, door haar nieuwsgierigheid en energie een redelijk succesvolle solocarrière te houden. Ook was er bijna elk jaar wel een filmrol voor haar weggelegd.

De terugkeer van Blondie eind jaren negentig was een positief verhaal. Het publiek was de band nog niet vergeten en Blondie ging in de volgende twee decennia weer regelmatig op reis. Gepokt en gemazeld kon Harry hier meer van genieten dan van de tournees in de succesjaren. En er was meer dan alleen rock-‘n-roll: de tournee voor het album Pollinator (2017) stond mede in het teken van de afnemende bijenpopulatie en een oproep de wereld niet te verpesten.

Blondie werd in 2006 bijgezet in de Rock-‘n-Roll Hall of Fame. In hetzelfde jaar sloot echter ook CBGB’s de deuren en vervaagde het voor Debbie Harry zo geliefde New York van de jaren zeventig verder. Het boek houdt dát tijdperk in ieder geval levend. Net als de fotoboeken van Chris Stein dit doen, overigens. Harry ruimt flink wat pagina’s in voor fan art. Hoe sympathiek ook, iets minder had wel gemogen. Wat extra oude sfeerbeelden (al dan niet van Chris Stein) had dit verder lezenswaardige boek zeker een krachtige extra dimensie gegeven. Los hiervan, Debbie Harry mag zich – met Chris Stein – een ware hoeder van de New Yorkse creatieve en kunstzinnige erfenis noemen.